HOOFDSTUK 35 @BRK#Maddie haalde opgelucht adem toen ze de toren van de abdij boven de bomen uit zag steken. Even later bereikte ze de open strook om het oude bouwwerk heen. Ze moest voorzichtig zijn, want het was natuurlijk goed mogelijk dat er daar nog mensen waren achtergebleven. Het terrein was echter verlaten en ze keek gauw om zich heen. De deur stond weer wijd open en ze zag het gapende gat waar tot voor kort een glas-in-loodraam had gezeten. Onder het gat lag de grond bezaaid met glasscherven en puntige reepjes lood – het bewijs voor haar wilde vertrek. Ze haalde opgelucht adem. Eindelijk had ze een aanknopingspunt voor haar tocht terug naar Araluen. Ze keek omhoog en zag de zon al boven de boomtoppen uit komen. Haar humeur was op slag bedorven, want ze kende de vaste routines op het kasteel. De ophaalbrug ging tussen acht en negen uur naar beneden, zodra het garnizoen de omgeving had verkend en zeker wist dat er geen vijanden op de loer lagen, en meteen daarna werd het hek in het poortgebouw geopend. Aan de zon te zien was het al bijna zover. De enorme tandwielen zouden elk ogenblik in beweging worden gezet om de brug naar beneden te laten. Dimon had gezegd dat ze om twaalf uur voor hun verraderlijke intocht bijeen zouden komen, maar nu hij vermoedde dat een buitenstaander van de plannen afwist, bleef hij vast niet zo lang wachten. Hij was met zijn manschappen vast al bijeengekomen in het bos aan de voet van de heuvel, waar ze zich nu in hun uniformen hesen om er als kasteelwachters uit te zien. ‘Dat mag niet gebeuren,’ zei ze tegen zichzelf en ze rende bij de abdij weg, het bos weer in. Ze dacht er ook nu bijtijds aan niet op volle snelheid weg te hollen en zichzelf uit te putten. Ze had nog een flink eind te gaan. Wie weet had Dimon op een of andere manier vertraging opgelopen en lukte het haar nog op tijd de tunnel te bereiken om alarm te slaan. Zonder dat ze er veel erg in had begon ze haar stappen te tellen, om te weten welke afstand ze al had afgelegd. Dan telde ze tot honderd en begon ze opnieuw, en zo kwam ze in een stilzwijgend evenwicht tussen de getallen en haar zachte voetstappen op de bodem van het bos. De woorden die ze Dimon had horen uiten keerden telkens in haar gedachten terug – en met name de bedreiging aan het adres van haar moeder. Ze begreep heel goed dat hij haar zonder enige wroeging zou vermoorden. Het ging hem om de troon en ieder ander die daar aanspraak op kon maken moest dus dood, al was het maar om te voorkomen dat zo iemand kon uitgroeien tot een bron van verzet tegen zijn bewind. Hij zou zelfs haar grootvader vermoorden, besefte ze. Het idee dat Dimon die hulpeloze oude man iets zou aandoen wakkerde de boosheid die ze in zich voelde alleen maar aan. Ze stelde zicht voor hoe hij zou beweren dat hij de Clan van de Rode Vos had verslagen en verjaagd, maar dat hij helaas te laat was gekomen om Cassandra en haar familie te redden. Zouden haar vader en Gilan hem geloven? Met tegenzin moest ze toegeven dat dat best eens zou kunnen – in elk geval aanvankelijk wel. Ze hadden geen enkele reden om Dimon van verraad te verdenken. Hij had zich altijd als een trouwe dienaar gedragen, en het leek hem altijd te doen om de veiligheid van de kroonprinses. Arnaut zou kapot van verdriet zijn door de dood van zijn vrouw en zijn dochter, maar hij zou geen reden hebben om aan Dimons verhaal te twijfelen. En Gilan eigenlijk ook niet, besefte ze. Hij had trouw gezworen aan de kroon en hij zou Dimon als commandant van het korps Grijze Jagers blijven dienen. De beide mannen zouden de toestand wellicht niet prettig vinden, maar ze zouden die waarschijnlijk wel accepteren. ‘Maar zover zal ik het niet laten komen,’ sprak ze zichzelf nog maar eens moed in. Dimon had alle troeven in handen, op één na: hij wist niet waar zij was en dat zij op de hoogte was van zijn verraad. Hij nam aan dat zij bij Cassandra in het kasteel was, en bovendien dacht hij dat zij een makkelijk slachtoffer zou zijn. Voor het eerst begreep ze hoe waardevol het kon zijn als niemand wist dat je tot Jager was opgeleid. Ze had die geheimhouding altijd een beetje overbodige aanstellerigheid gevonden, en er vooral voor de lieve vrede aan meegedaan. Bovendien was ze bang geweest dat ze de opleiding niet had mogen volgen als ze zich niet aan die geheimzinnigheid had gehouden. Ze had die vaak vervloekt en als hinderlijk ervaren. En de speciale kleren, de aparte paarden en de wisselende identiteiten had ze maar flauwekul gevonden. Maar o, wat was ze er nu dankbaar voor. Ze ging weer verder met het tellen van haar passen en holde met hernieuwde energie door. Ze móést proberen op tijd te zijn. @BRK#Cassandra was met Maikeru aan het trainen. Ze had voor het eerst in dagen weer eens tijd kunnen vrijmaken om met haar zwaard te oefenen en ze genoot van de lichamelijke en geestelijke inspanning die het vergde. Ze had iemand op pad gestuurd om Dimon op te halen zodat ze ook met hem kon trainen, maar de bediende was teruggekomen met het bericht dat hij de commandant nergens kon vinden. ‘Vreemd,’ mompelde ze. ‘Waar zou hij zijn?’ Maar ze stond er verder niet te lang bij stil. Dimon had zijn handen vol aan de organisatie van de wacht en zijn dagelijkse werkzaamheden met de gardisten. Ze kon moeilijk van hem verwachten dat hij onmiddellijk alles liet vallen als zij hem toevallig een keer nodig had. Ze kreeg een pijnlijke tik tegen haar schouder van Maikeru’s houten zwaard. ‘Hou uw aandacht bij de oefeningen,’ wees hij haar terecht. ‘Een afdwalende geest is gevaarlijk. U moet zich concentreren. We beginnen opnieuw.’ Ze wreef over haar schouder en maakte een verontschuldigende buiging naar haar leraar. Daarna nam ze haar vechthouding weer in, kwam ze naar voren en zette ze haar aanval in met een links-rechtse combinatie van hoge en lage, lage en hoge slagen. Na een laatste hoge aanval draaide ze losjes haar zwaard om en sprong ze naar voren. Ze zette haar rechtervoet voor zich en stak met één hand op haar leraar in. Maikeru kon de punt van haar zwaard nog net afwenden. Hij deed een stap achteruit, waarmee hij aangaf dat dit duel was afgelopen, en liet zijn zwaard zakken. Hij knikte waarderend. ‘Dat was heel goed, vrouwe,’ zei hij plechtig. ‘U hebt de beweging waarmee u uw aanval aankondigde afgeleerd. Ik neem aan dat u daar in uw eentje op hebt geoefend?’ ‘Toch wist u mijn aanval nog af te slaan,’ zei ze, enigszins gekrenkt. Hij toverde een dun glimlachje tevoorschijn. ‘Ik heb me al meer dan veertig jaar in katana gespecialiseerd, vrouwe,’ zei hij. ‘Uw aanval had bij bijna ieder ander succes gehad.’ Ze zuchtte. Ze wist dat hij gelijk had, maar ze was nu eenmaal competitief ingesteld. Ze had haar mentor zo graag één keer in een schijngevecht verslagen. Ze moest om zichzelf lachen, want ze wist best dat één keer niet genoeg zou zijn. Als het die ene keer lukte zou ze het daarna nog een keer willen doen, en daarna nog een keer, net zo lang tot de verrassing eraf was. Ze trok met tegenzin haar handschoenen uit. Het was een fijne training geweest, maar ze besefte dat ze aan het werk moest. Ze voelde de houten vloer trillen en hoorde op de achtergrond een diep gerommel. Dat geluid betekende dat de enorme katrollen van de ophaalbrug in beweging kwamen en dat het kasteel binnenkort open zou gaan. Het sterkte haar in de gedachte dat ze aan het werk moest gaan. ‘Het moet al over achten zijn,’ zei ze. ‘Ik moet nodig eens aan de slag.’ Maikeru keek haar peinzend aan. ‘U werkt te hard, vrouwe,’ zei hij. Ze zag er moe uit, vond hij, en in haar blonde haar waren de eerste grijze lokken zichtbaar. Ze lachte. ‘Tja, iemand moet het doen,’ zei ze. Maikeru zette de beide oefenzwaarden terug in het rek aan de muur. Daarna pakte hij de gewatteerde jacks en handschoenen die ze tijdens hun training hadden gedragen. ‘Nog geen nieuws uit het noorden?’ informeerde hij. Ze schudde haar hoofd. ‘Voorlopig nog niks,’ antwoordde ze. ‘We hadden allemaal verwacht dat ze binnen een paar dagen terug zouden zijn. Het is blijkbaar meer werk dan we hadden verwacht.’ De deur van de trainingszaal ging open en er trad een jonge page binnen. Hij was nogal zenuwachtig in het gezelschap van de prinses-regent en haar ondoorgrondelijke leraar. Onder het personeel van het kasteel gingen de wildste verhalen over die nooit lachende krijger uit Nihon-Ja en zijn fantastische bedrevenheid met de katana. Soms klopte zo’n verhaal nog ook. ‘Dag Richard. Wat is er?’ vroeg Cassandra. Om hem een beetje op zijn gemak te stellen glimlachte ze er vriendelijk bij. ‘Vrouwe,’ zei hij. Zijn ogen schoten voortdurend heen en weer tussen haar en Maikeru, alsof hij verwachtte dat de vechtkunstenaar hem tijdens het vertellen van zijn verhaal elk ogenblik kon aanvallen. ‘De sergeant laat weten dat er een groep mannen het kasteel nadert.’ ‘Mannen?’ vroeg Cassandra, onmiddellijk op haar hoede. ‘Worden we aangevallen?’ Richard glimlachte geruststellend. ‘Nee hoor, vrouwe. Neemt u me niet kwalijk dat ik een verkeerde indruk wekte. Het zijn manschappen van het kasteelgarnizoen.’ Cassandra’s blik klaarde op. Ze keek naar Maikeru. ‘Dan zijn het Arnaut en Gilan dus!’ zei ze vrolijk. ‘Ze zijn terug!’ Opnieuw moest Richard haar tegenspreken, nu minder opgewekt. ‘Ik denk het niet, vrouwe,’ zei hij. Hij zag haar blijdschap wegsmelten. ‘Deze mannen komen uit het zuiden. Kapitein Dimon voert de groep aan,’ voegde hij er ter nadere verklaring aan toe. ‘Dimon?’ zei ze verbaasd. ‘Waarom is hij met een eenheid naar het zuiden gegaan?’ Richard moest het antwoord schuldig blijven. Hij kon geen enkele reden bedenken waarom Dimon dat had gedaan. Hij gaf de berichten door, meer niet. ‘Ik kom zelf wel even kijken,’ zei ze. Hij deed een stap opzij en ze haastte zich de trainingszaal uit. Maikeru kwam achter haar aan, maar zijn zachte schoenen waren op de tegels nauwelijks hoorbaar. Richard, die nog een beetje baalde dat hij haar laatste vraag niet had kunnen beantwoorden, haastte zich achter hen aan. Ze staken de binnenplaats tussen de donjon en de buitenmuur over en klommen zo snel ze konden de trap op die naar de omloop over de muur leidde. Cassandra zocht boven meteen een uitkijkpunt op, recht boven de ophaalbrug. De sergeant van dienst hoorde haar aankomen, draaide zich om om haar te begroeten en wees naar het bos ten zuiden van het kasteel. ‘Daar, vrouwe,’ zei hij. Ze liep naar een opening tussen de kantelen en tuurde in de richting waarin hij wees. Er kwam een flink aantal mannen door het park de heuvel op, naar het kasteel toe. Ze droegen allemaal het kenmerkende Aralueense uniform: een rode overjas met daaronder een maliënkolder, en een glimmende, puntige helm met aan de achterkant meer maliën om de nek van de drager te beschermen. Ze droegen rode schilden met daarop een groot geel kruis, en de ochtendzon weerkaatste in de punten van hun lange speren. Hun aanvoerder liep te paard voor de eenheid uit, en hoewel hij te ver weg was om hem echt te kunnen herkennen zag Cassandra wel dat het Dimon was. De man zat in elk geval op het kastanjebruine paard van de kapitein en op zijn schild stond de uilenkop afgebeeld die Dimon graag als zijn wapen presenteerde. ‘Ze zien eruit als onze mensen,’ zei ze. ‘Maar waar komen ze vandaan?’ Ze keek snel om zich heen. Ze zag op de kasteelmuur zes mannen, en nog drie anderen op de binnenplaats beneden. Negen stuks. In de barakken lagen er zeker nog zes, want zij hadden er net een nachtdienst opzitten. Ze hadden vijfentwintig man bij haar achtergelaten om het kasteel te bewaken. Dat was niet zoveel, maar gezien de kwaliteit van de muren en de ligging van het bouwwerk moest het voldoende zijn. Maar nu zag ze bijna dertig man naar de ophaalbrug toe komen lopen. Waar kwamen die vandaan? En waarom reed Dimon aan het hoofd van die stoet? Als het tenminste Dimon was. Iedereen kon een schild met zo’n symbool bij zich dragen en het paard zag er als dat van Dimon uit, maar er waren heel wat meer paarden met zo’n kleur. Ze aarzelde, maar voelde hoe het wantrouwen de overhand begon te krijgen. Ze keek naar de sergeant, maar deze situatie was duidelijk te moeilijk voor hem. Hij was gewend om opdrachten uit te voeren. Maikeru zat anders in elkaar. Hij kon goed logisch nadenken en hij bedacht nog weleens iets wat andere mensen over het hoofd zagen. ‘Maikeru, wat denk jij ervan?’ vroeg ze. De oude zwaardmeester had die vraag wel verwacht. ‘Zoveel mensen hebben we niet,’ antwoordde hij. ‘En of dat Dimon-san is kunnen we zo ook niet vaststellen.’ De sergeant keek hen om de beurt aan. Hij was er duidelijk niet gerust op. Hij had gewoon aangenomen dat de mannen die in aantocht waren tot de garde van het kasteel behoorden. ‘Vrouwe?’ vroeg hij aarzelend. ‘Wat wilt u dat ik doe?’ Cassandra hakte de knoop door. ‘Haal de brug op,’ gebood ze. ‘Als we ons vergissen kunnen we ze later altijd nog naar binnen laten.’ Maar het was al te laat. De ruiter die de groep aanvoerde had zijn paard de sporen gegeven en was al bijna bij de brug. De wachters blokkeerden zijn doorgang, zagen wie het was en aarzelden. Die aarzeling bleek noodlottig. De ruiter trok zijn zwaard en sloeg bliksemsnel naar links en naar rechts. De beide wachters waren op slag dood. Daarna galoppeerde hij het poortgebouw in. Vanuit dat zware stenen deel van het kasteel werden de ophaalbrug en het valhek bediend. De eenheid die achter hem aan was gekomen zette er flink de pas in en ook zij bereikten algauw de ophaalbrug. Ze konden elk ogenblik de binnenplaats op stormen. Cassandra richtte zich tot de sergeant. ‘Sla alarm!’ riep ze. ‘Haal de mannen uit de barakken en verzamel al onze mensen in de donjon!’ Zelf rende ze naar de trap toe en riep ze naar de mannen op de binnenplaats dat ze haar moesten volgen. De sergeant aarzelde, want hij begreep niet precies wat er aan de hand was. Maikeru ging vlak voor hem staan. ‘Doe wat ze zegt!’ zei hij. ‘We worden aangevallen.’